Geschiedenis van leylijnen
Auteur: Chris Zoet, 2006
Tussen 1840 en 1870 deed William Henry Black uit het Engelse stadje Hereford onderzoek in Europa, China en India naar geheimzinnige onzichtbare lijnen. Hij was ervan overtuigd, dat deze onzichtbare lijnen over honderden kilometers uitstrekten en dat bijzondere prehistorische cultuurmonumenten, kastelen en middeleeuwse kerken op deze lijnen stonden.
Veertig jaar later, in 1921, kreeg zijn plaatsgenoot, de bierbrouwer, rechter én wichelroedeloper Alfred Watkins (1855-1935) een visioen. Watkins zag tijdens zijn visioen een landschap met een netwerk van onzichtbare lijnen over grafheuvels, kastelen, kerken en heilige bronnen. Hij kwam tot conclusie dat de prehistorische mens tot aan de late middeleeuwen wegen of paden had aangelegd over de onzichtbare lijnen, om zó zich veilig over deze voor hun veilige wegen of paden te kunnen verplaatsen. deze onzichtbare lijnen noemde men “leylines” (in het Nederlands: leylijnen). Het woord leyline is vernoemd naar het oude Engelse woord leah , dit betekent luwte, bescherming.
Omstreeks 1990 ontdekte de Friese wichelroedenloper en historicus Wigholt Vleer (1919-1999) dat er in Nederland veel middeleeuwse kerken door middel van de leylijnen met elkaar in verbinding staan. Hij noemde deze leylijnen, “kerkelijnen”. Vleer’s eerste ontdekking was, dat de 13 de eeuwse St. Margarethakerk van Norg (Drenthe) via de “kerkelijnen” in verbinding staat met veertien middeleeuwse kerken in Friesland, Groningen en Drenthe. Tevens ontdekte hij dat diverse leylijnen in kerken, grafheuvels en bronnen op een knooppunt bij elkaar komen. Samen met Ton van der Leeden en Bastiaan Stok ontdekte ik (Chris Zoet) dat het leycentrum in kastelen vooral terug is te vinden in de woontoren. Wigholt Vleer noemde zo’n knooppunt van leylijnen, een leycentrum.
In oude kerken is het leycentrum in de ene kerk terug te vinden waar altaar heeft gestaan (of staat). En in een oude andere kerk is het leycentrum met de wichelroeden terug te vinden in de kerktoren. Als leerling van Wigholt Vleer, ontdekte ik dat er vooral in oude St. Maartenskerken het leycentrum in de kerktoren is te vinden. Als amateur-historicus/archeoloog én paragnost zag ik helderziend in diverse kerktorens van St. Maartenkerken dat er vóór de christelijke tijd door heiden op deze plekken mensen werden geofferd aan Wodan. Uit Romeinse geschriften blijkt dat er door de eerste Romeinen mensen werden geofferd aan de Romeinse god Mercurius ( door de Germanen als Wodan vereerd en door de Noorse volkeren als Odin vereerd).
Wigholt Vleer ontdekte tijdens zijn onderzoek naar leylijnen dat Nederlandse lee- of lede-namen, zoals Leerdam (ZH) steeds overeenkwamen met het Engelse ‘ley’, het Duitse ‘lei’, het Franse ‘leu’ of ‘laie’. Volgens Vleer betekenen deze woorden: leycentrum en bescherming. Door de samensmelting van de leylijnen die bij elkaar komen op een leycentrum, zorgt deze samen gesmolten energie voor de levenskracht van diverse sociale gemeenschappen. In de middeleeuwse kerken zorgt deze samen gesmolten energie oftewel leycentrum voor een sterke spirituele oplading.